Soeur Sourire

Haast zesentwintig jaar geleden nu. September 1959. De keukentafel bij ons thuis, moeder die uit de winkel komt met het gebak dat die middag niet is verkocht. Met de rug van haar hand veegt ze haar bezwete voorhoofd af want het is een zwoele, plakkerige dag, zo’n dag in de nazomer waarop de hitte door je poriën kruipt en zich nestelt net onder je huid. Het is druk geweest in de bakkerij. De ovens in het atelier naast de keuken hebben weer de hele nacht en de hele dag op volle toeren gedraaid. Moeder zet de schaal met eclairs, soezen en overgebleven gebakjes op tafel. Een zwaantje, gevuld met slagroom, is een beetje scheefgezakt door de warmte. Moeder hoeft niet eens naar Madeleine op te kijken want die veert al overeind om als een gehoorzame soldaat de taartvorkjes te halen.Vader, die links van me zit, valt zoals elke zondagavond van vermoeidheid haast met zijn hoofd in zijn bord. En ik zit daar, stilletjes. Het zweet staat in mijn handen om wat ik al enkele weken verzwijg en vanavond eindelijk zeggen moet.

‘Morgen vertrek ik op reis,’ zeg ik zonder opkijken, tussen twee happen in. Weken heb ik gewacht om deze zin uit te spreken, maar nu de winkel gesloten is en we eindelijk een keer samen aan tafel zitten, zeg ik het. Langer wachten kan niet meer.

Moeder legt haar taartvorkje neer en staart me met open mond aan. Ik zie wel hoe er een heleboel vragen achter haar ogen zitten, maar ik weet dat ze zwijgen zal omdat dit de manier is waarop we sinds enkele jaren onze meningsverschillen oplossen. En omdat zwijgen het enige wapen is waarmee ze nog vechten kan. De weg naar de holte van haar arm heb ik nooit gevonden. De deur van de woonkamer naar de winkel zat ertussen.

‘Lekker,’ zeg ik en ik steek het laatste stukje roomsoes in mijn mond. Ik knipoog naar vader en sta op.

‘Moet je dan geen les geven? Heb je je school verwittigd?’ verliest moeder ons gevecht. Ik juich vanbinnen, knik en loop naar de deur. Rustig lijkt het, maar dat is niet hoe ik

me voel.

‘Waar ga je naartoe?’ vraagt Madeleine met gretige ogen die verraden dat ze met me mee zou willen gaan.

‘Niet ver,’ ontwijk ik haar vraag.

Vader zegt niks, zoals steeds. Hij is moe van een hele week, dag en nacht werken in de bakkerij en de wijn verdooft zijn lippen. (…)

 

‘Wat doen we met Adèle?’ vraagt Annie.

Ik kijk naar mijn gitaar naast de haard, trek mijn schouders op en loop terug naar mijn werkkamer. Ik ga zitten achter mijn bureau om me door de stapel papieren heen te werken, maar ik kan mijn hoofd er niet bij houden. Elk woord dat ik hoor, elk woord dat ik denk, lijkt wel een luik dat wordt geopend waarachter een landschap aan herinneringen ligt. Geen helder tafereel. Meer een Dali-achtig doek waarin tijd en gebeurtenissen verwrongen in elkaar haken.

 

Gitaren. Hoeveel heb ik er gehad? Vier? Vijf? Ik ben de tel kwijt na alles wat er is gebeurd maar geen enkele heeft ooit Adèle kunnen vervangen, als bij een eerste, echte liefde die zo puur is dat alle volgende liefdes er slechts een flauw afkooksel van zijn. Ik zie ze nog staan, daar in het uitstalraam van die winkel in de Zuidstraat. Zeventien was ik en deze gitaar werd van mij, wist ik van bij de eerste oogopslag. Ze was precies wat ik nodig had om de avonden bij het kampvuur op te vrolijken. Omdat ik ze niet kreeg van mijn moeder, spaarde ik mijn zakgeld bij elkaar tot ik genoeg had om ze te kopen. Adèle doopte ik haar.

‘Hou op met die tingeltangel!’ riep moeder door de gang als ik op ‘Adèle’ zat te tokkelen. ‘Doe iets nuttigs!’

Natuurlijk had ze gelijk, mijn vingers produceerden niet meer dan wat getokkel. Het liefst was ik naar de muziekschool gegaan om partituren te leren lezen en het spelen beter onder de knie te krijgen, maar ik had het nooit durven vragen. Ik zou toch weer op moeders verzet stuiten, alsof ze er telkens opnieuw plezier in schepte de dromen van haar dochter te dwarsbomen. Net zoals toen ik na de middelbare school naar La Cambre wilde, naar de Ecole Nationale Supérieure d’Architecture et des Arts Décoratifs.

‘Geen sprake van’, zei ze en hoe ik het in mijn hoofd haalde. Of ik misschien geen Deckers was, een dochter van eenvoudige commerçanten, en die werden geen kunstenaars, werkschuwe profiteurs en losbollen.

Wat ze bedoelde was dat ze zelf niet de kans had gekregen om haar hart te volgen en dat haar dochter daar nu maar voor moest boeten. Bijna had ik het voor haar voeten geworpen, maar ik had me ingehouden, zoals steeds. Een hele vakantie lang had ik haar ontweken en uiteindelijk waren we tot een gewapend bestand gekomen: als ik per sé iets artistieks wilde gaan doen, dan moest ik maar een regentaatsopleiding tekenen volgen, zei ze, met dat diploma kon je achteraf tenminste iets aanvangen. Kon ik mijn eigen kost verdienen, bedoelde ze want ik kende haar. De artiest in haar was al jaren dood. Geld. Alles draaide bij haar om geld. Geld dat ze dan kon opdoen aan nieuwe meubels in schreeuwerige kleuren en met die afschuwelijke randen in messing. Of aan een nieuwe jurk à la Dior, iets van de laatste mode waarmee ze haar klanten kon imponeren. Daarvoor was er geld genoeg. Niet voor een gitaar. Niet voor boeken of voor een elpee van Brassens. Niet voor tickets voor een film of voor één van de nieuwste balletvoorstellingen van Béjart. Dat viel allemaal onder de noemer ‘nutteloos en rebels’. Wat haatte ik dat materialisme, die kleinburgerlijkheid.