De ongenode gast

Soms neemt het leven een vreemde en onverwachte wending. Bij mij gebeurt dat op de ochtend dat ik een bom in mijn brievenbus vind. Een bom in de vorm van een brief, met het bekende grijs-roze logo van ‘Bevolkingsonderzoek Borstkanker’. Er is op mijn mammografie van enkele weken geleden ‘een abnormaliteit’ vastgesteld, luidt de mededeling, en of ik even met mijn huisarts contact wil opnemen.
Ik heb het gevoel dat zojuist mijn eigen overlijdensbericht in de brievenbus is beland, alsof ik daarnet nog vrolijk lag te spartelen in hemelsblauw water en nu naar een modderige bodem word getrokken door een monster met wurgende tentakels.
Het ontgaat me hoelang ik naar die brief zit te staren, hier op mijn veilige stoel aan de keukentafel, maar dan daagt het me dat ik in actie moet komen. Dus haast ik me om een afspraak te maken met mijn huisarts – haast is in dezen een verkeerde woordkeuze, want de ijverige man heeft pas een plekje vrij over een week.

Ik vertel hem dat ik zelf niks abnormaals had gevoeld, behalve tijdens de mammografie zelf. Dat onderzoek is wat mij betreft altijd een fluitje van een cent geweest, maar deze keer zag ik sterretjes toen de verpleegster mijn piece of art plette onder de bankschroef.
Plichtsgetrouw, als een schooljongen die zijn eerste woorden neerschrijft in schoonschrift, tikt de dokter – net niet het puntje van de tong uit de mond – een verwijsbrief voor een echografie en ‘zo nodig’ ook aansluitend een biopsie. Hij rept met geen woord over een nieuwe afspraak bij hem en wanneer ik hem vraag of hij als huisarts het algemene plaatje in de gaten wil houden – hij weet immers welke mankementen er nog aan mijn vehikel zijn – geeft hij niet thuis. De specialisten zullen het allemaal wel opvolgen, beweert hij met stelligheid.
Wat een kei in loslaten, en dat op zo’n jonge leeftijd. Het epitheton ‘vertrouwensarts’ kan ik meteen van mijn woordenlijst schrappen.

Weer een week later – eerder kon ik geen afspraak krijgen – haast ik me met diezelfde spoed naar het medisch centrum bij ons in de buurt waar eerder de mammografie is gemaakt. Nog geen tien minuten later lig ik al op de onderzoekstafel. Nooit lange wachtrijen in dit laagdrempelige centrum, dat veel wegheeft van een dispensarium in een afgelegen Afrikaans dorp.

Ik heb geen tijd om te liggen klappertanden in de donkere onderzoekskamer – waarom hanteert men er altijd een ijskasttemperatuur? – want na opnieuw tien minuten wurmt een arts zich door de schuifdeur. De man heeft meer weg van een weldoorvoede slager – een flinke klomp gezond vlees, zeg maar – die zich aandient met de opmerking dat hij, als hij zich niet vergist, ‘even naar mijn borstjes moet komen kijken’.

Ik voel me blozen als een veertienjarige bakvis die voor het eerst van wat mannelijke belangstelling geniet.

De gigant negeert mijn vrouw, die naast me zit, met uitzondering van de woorden: ‘En wat hebt u meegebracht?’ Woorden die hij tot mij richt, zonder haar aan te kijken.

Ik zie dat ze haar vuisten balt, klaar om de man een uppercut te verkopen, ware het niet dat ook zij ervan overtuigd is dat het medische ambt met respect bejegend dient te worden.
‘Naar uw borstjes komen kijken’, echoot het in mijn lijf op de reusachtige keukenrol terwijl de man zich naar zijn mise-en-place begeeft.

Mijn vrouws onderdrukte woede is terecht. Wat zou zo’n man ervan vinden als ik de arts was en hij de patiënt en ik tegen hem zou zeggen dat ik ‘even naar zijn piemeltje kom kijken’?
Ik verdring de gedachte en probeer bij de les te blijven.
De goede man spuit een flinke laag gel op de echokop, schuift enkele minuten heen en weer met de joystick en tuurt naar het scherm aan mijn zijde, waarop zich een soort maanoppervlak vertoont. Vakkundig concludeert hij dat er iets zit wat er niet hoort te zitten en dat een biopsie uitsluitsel moet geven.

Ik bedank de dokter vriendelijk, waarom weet ik eigenlijk niet – het zal wel iets met aangeleerd gedrag te maken hebben.