Vuurvader

OF IK GEEN DESSERT MEER WIL, want een mens viert maar één keer zijn negentigste verjaardag, toch?
Het ontgaat mij waarom vieren en vreten zo’n onverwoestbaar koppel zijn. Alsof er nog te feesten valt met een maag zo groot dat een zeeleeuw er zich drijvende op zou kunnen houden. Nee, geen dessert voor mij. En ik zal ook wel zelf naar huis lopen, zo ver is het niet en het zal me helpen verteren. De amuses, het voorgerecht, het tussengerecht, de sorbet om te bekomen van het tussengerecht, le plat principal – fumé, farci, flambé – en dan de kaasplank als hartige afsluiter om vervolgens over te stappen naar het dessert en de pousse-café. Ge voedt er een half dorp mee en een zware indigestie.
Dat Bernie wel even met me mee naar huis zal lopen, stelt onze
Ward voor, alsof ik een hond ben die door zijn kleinzoon moet worden uitgelaten.
Ik dank hem voor de lieve attentie. En ik dank zijn jonge vrouw – geen kwaad woord over haar, haar leven lijkt me zwaar met zo’n workaholic als mijn zoon, zelfs nu hij bijna zestig is.

‘Het was een fijne middag’, zeg ik, want ik weet dat mijn zoon het goed bedoelt. Ik weet dat het aanbieden van zo’n exquis en peperduur diner zijn manier is om te tonen dat hij me graag ziet, maar het was niet mijn idee om mijn verjaardag hier te
vieren. Mijn zoon wilde het zo, hij wilde zijn oude nog een keer verwennen, maar hij zou me beter moeten kennen. Ik houd niet van al dat glas en design of hoe die dingen tegenwoordig heten. Ik mijd dit soort gelegenheden. En bovendien: dan zit ge, voor een van de weinige keren in uw leven, in een poepchic restaurant aan de Schelde en dan komt er zo’n mastodont van een cruiseschip aanmeren en ontneemt het u het zicht. Dat zijn geen schepen meer, maar steden. Ze lossen hun vee, dat in kuddes door de straten trekt om onze stad vanachter de lens van hun smartphone te bekijken. Ze hebben geen idee van wat de gevels van de pakhuizen en de kademuren hier fluisteren; van de balen katoen, zakken koffie en olifantentanden die, op de vermoeide rug van slecht betaalde dokwerkers, over de smalle loopplanken werden gesjouwd naar de volgestouwde hangars, die nu dienstdoen om uw auto te parkeren. Ach, wat sta ik hier te bazelen in plaats van dankbaar te zijn voor de geste van mijn zoon. Dat is het grootste probleem van ouder worden.
Niet het lijf dat af en toe niet meer mee wil, maar het hoofd dat vastloopt als een roestige machine omdat het zo veel heeft gezien en gehoord dat het niet begrijpt waarom we zo weinig van het verleden leren.
Genoeg gezeur, even het hoofd en de benen smeren. Ik geef onze Ward, mijn lieve schoondochter en mijn kleinzoon een kus, dank hen nog een keer voor de fijne middag en trek de deur van het restaurant achter me dicht. Ik zwaai nog een keer en zet er dan stevig de pas in, over het Zuiderterras richting Steen en dan langs de kaaien naar mijn appartement vierhoog aan het Bonapartedok. Straks nog even aan het raam zitten, kijken naar de lichtjes op de Schelde, naar de boten in de jachthaven bij het MAS en dan mijn koffer in. Ik heb me al vaak afgevraagd waarom ik precies daar ben gaan wonen toen Anneke stierf, uitgerekend een week nadat ik op de fabriek met pensioen ging,
na veertig jaar trouwe dienst als ingenieur. Waarom heb ik toen ons huis in Hemiksem verkocht en ben ik daar gaan wonen? Vlak bij de Luien Hoek, waar de buildragers zich vroeger elke ochtend moesten aanbieden in de hoop op een job die dag. Was het toeval? Het doet er niet meer toe.
Dat was ook wat bompa zei: ‘Het doet er niet meer toe.’ Eerst aan mijn vader, zijn enige zoon, en dan aan mij, zijn enige kleinzoon. Het deed er niet meer toe. Nog voor hij van die boot stapte, had hij dat hoofdstuk al afgesloten. Hij praatte er zelden over, maar als kind had ik grote oren. Soms, als zijn jeugdvriend Maurice op bezoek was, kwam er terloops iets ter sprake over vroegere jaren. En als Maurice dan naar huis vertrok, zat bompa meestal uren in het niets te staren op zijn stoel bij het raam, in dat huis waarvan hij en bomma de derde verdieping bewoonden. Vanachter dat raam had hij zicht op de dokken en op het gebouw van de natie waar hij na zijn buitenlandse avontuur
vijfenveertig jaar lang als hulpboekhouder zijn broek had versleten.
Urenlang zat hij daar te gapen naar de Congoboten aan de kade, en naar de Schelde, die voorbij trok als een zilveren lint. Ik, toen nog een snotneus in korte broek, keek dan met hem mee en droomde hardop dat ik later met zo’n schip mee zou varen. De oom van een klasgenoot was purser op de Baudouinville en had me verteld hoe chic het daar was aan boord: de eetzalen met uitgewerkte pilaren, porselein op de tafels, slaaphutten met goudgele bedden, kamergrote spiegels en muren van velours.

Als ik zo hardop zat te fantaseren, zei bompa altijd: ‘Het water is de weg waarlangs ge reist op weg naar uw dromen, maar ik heb er velen weten terugkomen.’ En als ik dan vroeg wat hij daarmee bedoelde, deed hij er verder het zwijgen toe. In stilte keken we dan naar de handelaren en naar de kolonialen in wit tropenpak, die er zorgvuldig op toekeken dat hun handelswaren en huisraad veilig werden geladen of gelost.
Op een keer was ik weer eens bij hem op bezoek, ik herinner het me als een zeldzame blauwe maan, het moet kort na de Tweede Wereldoorlog zijn geweest. De haven werkte weer op volle kracht en een klasvriend van me was nog niet zo lang daarvoor omgekomen bij de inslag van de V2-bom op de Cinema Rex. Ik ging in die dagen na school wel een keer of drie per week naar bomma en bompa, omdat ma en pa na hun
werkdag puin hielpen ruimen in de stad.
Op een van die dagen dus zitten bompa en ik een spelletje te schaken. Dat had hij me geleerd. Ik kijk van het bord naar de tropenhelm aan de muur en daaronder naar het houten kokertje aan een versleten touw.
En terwijl hij zit te broeden op een zet, vraag ik het hem langs mijn neus weg: ‘Hoe was het daar, daarginds in de Congo, bompa?’
En wat doet hij? Hij schuift het schaakbord opzij, gebaart me naast hem te komen zitten op het voetenbankje. Met trillende vingers vult hij zijn pijp. Als hij eindelijk het vuur erin heeft gezogen en de zoete tabak omhoogkringelt voor het raam, steekt hij van wal. Hij begint te vertellen. Hij vertelt me het hele verhaal.
Toen hij eindelijk stilviel, was de zon allang ondergegaan en schenen de lichtjes op de Schelde. ‘Het doet er niet meer toe’, eindigde hij zijn relaas. ‘Ik heb dat hoofdstuk allang afgesloten.’ En toen tegen bomma, die al die tijd ergens in haar keuken had zitten rommelen: ‘Moeder, onze kleine hier zal wel een boterham en ballekes met kriekskes lusten.’


Ze zeggen dat Afrika in uw bloed zit als ge er ooit zijt geweest, dat het aan u sleurt als een hyena die zijn prooi het hol in trekt om ze daar te verslinden, maar mijn bompa heeft nooit meer een voet op Afrikaanse bodem gezet. En toch… het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Kwam het door zijn verhalen? Of was Afrika ongemerkt in de genen van mijn vader, bompa’s zoon, geslopen, die het op zijn beurt aan mij had doorgegeven?

Al toen ik een snaak van een jaar of twaalf was, wist ik dat ik ooit naar Congo zou gaan. Het was een kwestie van tijd. Congo zou op mijn pad komen, dat stond als een paal boven water.
Ik ben inderdaad naar ginds vertrokken, maar ik ben er niet lang
gebleven. Waarom? Dat is een verhaal voor later.


En nu is het aan Bernie dat Afrika trekt, mijn kleinzoon die me vanmiddag aan tafel fier als een opgezette pauw zegt dat hij volgende week naar Congo vertrekt. In opdracht van zijn baas, een diamantair.
Daarom is de tijd gekomen, denk ik. Morgen zal ik hem opbellen en vragen of hij nog even bij me langskomt voor hij naar Congo reist. En misschien moet ik hem dan het verhaal vertellen. Het verhaal van mijn grootvader, zijn betovergrootvader, Elias Francken. Zoals die het aan mij heeft verteld.
Sommigen zijn in staat iemand zo onvoorwaardelijk graag te zien dat ze eraan ten onder dreigen te gaan. Zo iemand was mijn bompa Elias Francken. Hij hield zo veel van zijn moeder dat hij voor haar de Schelde heen en terug had willen overzwemmen, zelfs onder water, als dat had gekund. Maar zijn moeder had hem toen hij nog een baby was naar het
weeshuis gebracht. Het Knechtjeshuis, zoals het toen heette. Waarom ze dat had gedaan, wist hij niet. Wat hij wel wist, was dat hij voor de rest van zijn leven geen ‘knechtje’ wilde blijven. Hij wilde de wereld zien.